Van Moeders tot Moeders
 

Anoniem (38): "Luister naar me en kijk niet terug op mijn verleden"

Via sociale media vond een gesprek plaats. In verband met privacy worden de namen van de betrokkenen niet vermeld. De moeder die vertelt over haar klachten ('Zij') heeft een gesprek met iemand ('Ik') die zij persoonlijk kent. ‘Zij’ is acht jaar geleden opgenomen geweest en heeft in eerste instantie de diagnose postpartum depressie gekregen. Nu blijkt dat die gestelde diagnose waarschijnlijk niet juist was. 


Ik: “Welke klachten heb jij toendertijd gehad?”
Zij: “Ze hebben het aangegeven als een postnatale depressie. Ik werd alleen later opgenomen, omdat ze me eerst thuis wilden behandelen. In het behandeltraject zat ik nog met mijn angsten.”
Ik: “Ik las pasgeleden op sociale media de vraag: "Herinner jij je nog dat magische moment na de bevalling?”
Zij: “Ik weet in ieder geval dat er geen roze wolk was. Ik weet alleen nog ellende, huilen, schreeuwen en er niets van snappen. Maar ja, aan de andere kant begrijp ik de vraag wel. Niemand weet hoe het is als je het zelf niet hebt meegemaakt.”
Ik: “Dat is zo...”
Zij: “Ik vind het ook altijd moeilijk uit te leggen. Sommige mensen vragen er verder niet naar, omdat ze weten dat ik een moeilijke start heb gehad. Het was een postpartum depressie met angst. Ik heb de papieren opnieuw aangevraagd, dus dan kan ik het met zekerheid vertellen. Het probleem is namelijk dat ik nog steeds veel last heb en ik wil weten wat hun bevindingen waren.”
Ik: “Had je ook dwanggedachten?”
Zij: “Ja, ook.”
Ik: “Bezorgdheid, dwangmatige gedachten, bang zijn dat je kindje iets overkomt, voorstelling over de meest vreselijkste dingen. Herken je hier iets in?”
Zij: “Ja alles...en nu nog steeds.”
Ik: “Ik kwam wat informatie tegen en deze klachten stonden er in vermeld.”
Zij: “En als er een oplossing is, dan ben ik geïnteresseerd. Ik wil normaal zijn. Binnenkort moet ik weer naar mijn psycholoog. Ik ga het overleggen en kijken wat zij zegt. Ik vecht met ups en downs.”
Ik: “Ik denk dat het zeer onderschatte klachten zijn. Wat ik begreep is dat het heel veel voorkomt.”
Zij: “Wel fijn dat je het even voor mij oppakt. Ik ga hier zeker wat mee doen.”
Ik: “Ik ben erg benieuwd.”
Zij: “Ik hou je op de hoogte.”
Ik: “Laat me weten hoe het verder gaat.”
Zij: “Ik weet nu dat het toch nog komt van die depressie. Weet je, ik kan zo moeilijk werken enzo. Alles komt dan op me af. Ik moet dan dit en dat en zus en zo en de hele nacht blijft mijn hoofd maar doorgaan met gedachtes.”
Ik: “Dat is inderdaad niet fijn. Nooit eens rust in je hoofd.”
Zij: “Ik wil wel, maar het lukt gewoon niet. Zodra ik stilzit begint het. Ik ben ook ontzettend moe.”
Ik: “Waardeloos voor je.”
Zij: “Ik loop de dokter plat met klachten. En ik had graag - ondanks dat ik geen partner meer heb - toch nog wel een kindje gewild, maar niet meer aangedurfd. Ik wil mijn kind niet afgeven aan mijn ex-partner, in de zin dat hij fulltime voor hem gaat zorgen.”
Ik: “Is er een verkeerde diagnose gesteld?”
Zij: “Ze hebben me altijd voor angst- en paniekaanvallen therapie gegeven, maar die kan ik nu wel dromen.”
Ik: “Met alleen een diagnose kom je er niet altijd.”
Zij: “Nee dit blijkt dus wel. Blij dat ik met je praat, ik denk dat ik zo verder ga komen.”
Ik: “Dat zou geweldig zijn. Je bent bijna acht jaar zoekende. Ik twijfel er trouwens over of ze dit toen al wisten.”
Zij: “Ik houd je op de hoogte. Ik ga dit in een volgend gesprek met mijn hulpverlener meenemen. En aangeven dat ik waarschijnlijk een verkeerde diagnose heb gehad.
Ik: “Ik ben benieuwd. Sterkte.”
Zij: “Ik wil dat er opnieuw gekeken gaat worden, want het leven zo is waardeloos. Ik denk niet dat ze het toendertijd wisten, want ze wisten niet goed wat ze met me moesten. Ik heb daarna nog een tijdje op de open afdeling gezeten en daar gaven ze alleen angst- en paniekaanvallen aan, maar niet echt gerelateerd aan de bevalling.”
Ik: “Daarom kan beter gekeken worden naar klachten in plaats van naar een diagnose.”
Zij: “Voor de zwangerschap had ik al angstklachten, maar nu zeg ik al jaren: gooi het daar nou niet altijd op, er is meer aan de hand. Luister naar me en kijk niet terug op mijn verleden. Ik ga eens kijken of mijn psycholoog kan meekijken en denken met een leeg hoofd.”
Ik: “Goed plan.”
Zij: “In ieder geval bedankt, als ik nog vragen heb, dan laat ik je iets weten.”
Ik: “Is goed.”
Zij: “Super, dank je!.”
Ik: “Graag gedaan, sterkte!”

Maanden later...
Zij: “Het was een tijd stil, want ik was heel erg druk. Via de psycholoog heb ik een verwijzing gekregen voor een eenmalig onderzoek in het ziekenhuis bij een psychiater. Deze gaat kijken naar mijn klachten en naar mijn medicatie. Het kan dus zijn dat ik moet gaan afbouwen en opbouwen van nieuwe. Ik hou je op de hoogte.”
Ik: “Helpt het jou als je een lijst met klachten hebt ter ondersteuning van je verhaal?”
Zij: “Ja. Dank je.”

Later die dag...
Zij: “Ik heb een gesprek gehad met een psychiater. De uitkomst was dat ze toendertijd betere begeleiding erna hadden moeten geven, want ik had dus meer angstaanvallen. Ik had ook andere medicatie moeten hebben. Nu ga ik afbouwen van het medicijn dat ik heb gehad en wel goed was voor de depressie. Daarna ga ik opbouwen met een ander medicijn die ik dus al eerder had moeten krijgen. Dus ik krijg even een zware periode, afbouwen met afkickverschijnselen en opbouwen met bijwerkingen. Maar dan moet ik daarna helemaal mezelf zijn. Hij zei dat het op zich een goed medicijn was voor de depressie, maar niet genoeg omdat ik beiden had, zowel een angststoornis als een depressie.
Ik: “Is er een diagnose gesteld?”
Zij: “Geen diagnose, maar wel een chronische angststoornis.”
Ik: “Ik denk dat als ze op de klachten hadden gelet in plaats van op diagnostiek, dat er dan eerder duidelijkheid was geweest.”
Zij: “Ja dat zei hij ook. Voor hem was het na 10 minuten al duidelijk. Hij vond het in ieder geval knap dat ik al die jaren zo bezig ben geweest en niet heb opgegeven.”
Ik: “Inderdaad, petje af.”
Zij: “Ondanks mijn scheiding, verhuizing en andere stress.”
Ik: “Nu dus eindelijk duidelijkheid.”
Zij: “Ik krijg nu de keuze of weer een opname of thuis afbouwen en opbouwen met dagopnames.”
Ik: “En wat wil jij?”
Zij: “Ik ga waarschijnlijk gewoon thuis afbouwen en dan bij de dagbesteding kijken hoe het gaat. Eventueel kan ik nog over naar een opname. Maar ik vind het wel weer doodeng.”
Ik: “Doe wat voor jou goed voelt, dat past het beste bij jou. Laat je niets aanpraten wat jij niet wil.”
Zij: “Dat is het niet, ik denk meer aan mijn kind. Want als ik nu aangeef dat ik opgenomen wil worden, dan gaat mijn ex-partner actie ondernemen en aantonen dat ik niet voor mijn kind kan zorgen. Dat speelt nu mee in mijn beslissing. Ik durf hem dat dus niet te vertellen.”
Ik: “Je maakt nu een duidelijke keuze voor jouw herstel. Zodat jij nog beter kan functioneren. Stel dat je in een ziekenhuis wordt opgenomen, dan ben je toch je rechten als moeder ook niet ineens kwijt? Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe dat juridisch zit. Wie heeft er voogdij en heeft jouw ex-partner jullie kind erkend?”
Zij: “We waren getrouwd. Ik heb voogdij en hij heeft ons kind erkend. Maar omdat het al jaren op en neer gaat met mij vindt hij dat ik geen stabiel persoon ben voor hem. Hij zegt dat weleens en ben bang dat hij dus actie gaat ondernemen. En dat kan ik er nu niet bij gebruiken. Toen ik destijds opgenomen was, kwam hij ook bijna niet. Ik was altijd de enige moeder die 's avonds zonder familie zat.”
Ik: “Ik kan me voorstellen dat dat jou tegenhoudt. Maar die onbalans is misschien wel door een onjuiste diagnose, dus stabiliteit is buiten jouw schuld om. Ik probeer met je mee te denken en te ondersteunen hoe jij het beste geholpen kan worden en daarbij de voogdij over jouw zoon kan houden. Het lijkt me een lastige situatie.”
Zij: “Mijn moeder komt gelukkig voor een paar maanden hier in huis.”
Ik: “Heel fijn dat je ondersteuning van je moeder krijgt.”

Mocht dit gesprek een vervolg krijgen, dan zal er een update plaatsvinden.

Deze tekst is geplaatst op 12 oktober 2016.